Dinosauriërs die langs de kusten van Noord-Amerika leefden, haalden waarschijnlijk een deel van hun voedsel uit zee. Dat leiden Amerikaanse paleontologen af uit de chemische samenstelling van zo’n honderd miljoen jaar oud tandglazuur. De meest waarschijnlijke bron: aangespoeld zeewier.
Op North Ronaldsay, het noordelijkste eiland van het Schotse Orkney, leven schapen al bijna twee eeuwen grotendeels van zeewier. Dat Schotse schapen dat al in de prehistorie deden, weten archeologen dankzij de koolstof in hun tanden. Met dezelfde methode laten paleontologen nu zien dat ook dinosauriërs aan de kust waarschijnlijk uit zee aten.
Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!
Een chemische vingerafdruk
Het bewijs zit in koolstof. Planten nemen die op uit hun omgeving, maar niet allemaal op dezelfde manier. De meeste landplanten bevatten relatief weinig van de zwaardere variant koolstof-13. Zeewier gebruikt een aangepaste vorm van fotosynthese en bouwt juist meer van die zware koolstof in. Wie zulk voedsel eet, krijgt die verhouding mee in zijn lichaam, tot in het tandglazuur. En omdat roofdieren hun prooi eten, schuift het signaal door de voedselketen omhoog.
Kust tegenover binnenland
Het team vergeleek fossielen uit vijf kustgebieden met die uit één gebied diep in het binnenland, het huidige Wyoming en Montana. De kustlocaties lagen langs de Western Interior Seaway, de binnenzee die Noord-Amerika destijds in tweeën splitste, en langs de toenmalige Golf van Mexico. Alle fossielen zijn tussen ongeveer 113 en 94 miljoen jaar oud. In totaal deden de onderzoekers ongeveer driehonderd metingen aan tanden, botten en schubben van vissen, schildpadden, krokodilachtigen en dinosauriërs. Omdat bot en tandbeen na de dood makkelijker chemisch veranderen, baseerden ze hun interpretatie vooral op het stevigere glazuur.
Het verschil was duidelijk. Dieren uit de kustgebieden bevatten aanzienlijk meer zware koolstof dan hun tijdgenoten uit het binnenland. Eendenbekdinosauriërs uit Texas kwamen zelfs in de buurt van vroege zeekoeien, die vrijwel uitsluitend zeeplanten aten. Een vergelijkbaar patroon bestaat vandaag in Florida: alligators aan de kust, die naar schatting voor twee derde van zeeprooi leven, hebben duidelijk meer zware koolstof in hun tanden dan soortgenoten in het binnenland. Een verandering in de atmosfeer verklaart het verschil niet: die zou kust en binnenland op hetzelfde moment even sterk hebben beïnvloed.
Waarom zeewier?
“Dit patroon zien we van vissen tot megaherbivoren”, zegt de hoofdauteur van de studie. “Dat betekent dat de extra koolstofbron laag in de voedselketen moet hebben gezeten.” Die bron moest bovendien aan de kust voorkomen en niet in het binnenland. Ook moest hij miljoenen jaren beschikbaar blijven. Volgens het team voldoet vrijwel alleen zeewier aan dat profiel. Stormen waren in het Krijt krachtiger dan nu, waardoor er waarschijnlijk flinke hoeveelheden op het land belandden.
Geen bijzondere stofwisseling
Niet elke kustbewoner deed mee. De plantenetende Tenontosaurus tilletti had aan de kust vrijwel dezelfde waarden als in het binnenland, passend bij een dieet van gewone landplanten. Juist die uitzondering is belangrijk: als het signaal pas na de dood in de grond was ontstaan, zou het alle dieren op dezelfde plek moeten treffen. Het wijst dus eerder op voedselkeuze.
Dat werpt een nieuw licht op eerder onderzoek. Paleontologen namen lang aan dat dinosauriërs een afwijkende stofwisseling hadden, omdat hun glazuur meer zware koolstof bevatte dan hun dieet deed verwachten. Het getal waarop die aanname rust, is echter afgeleid van eendenbekdinosauriërs uit een kustgebied in North Dakota. Volgens de auteurs zat daar dus mogelijk al een verborgen zeewiersignaal in. De dinosauriërs uit het binnenland gedragen zich chemisch gewoon als hedendaagse planteneters.
Wat nog ontbreekt
Het bewijs blijft indirect: het onderzoek toont geen zeewier zelf aan, maar een chemisch signaal dat daar het best bij past. Ook zoetwaterplanten kunnen relatief veel zware koolstof bevatten. Bovendien is van de planteneter Tenontosaurus aan de kust maar één tand gemeten, terwijl juist die uitzondering zo belangrijk is voor de conclusie. Daarnaast ontbreken gegevens uit de poolgebieden en rond de evenaar. Of het patroon ook in andere regio’s en tijdperken voorkwam, moet vervolgonderzoek uitwijzen.
Wil je niets van Scientias missen? Volg Scientias op Google Discover dan zie je al onze verhalen!
Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast: