Scientias

Schaakrating voor rekensommen: wat levert adaptieve software op de basisschool op?

Daan Petersen 4 min lezen

Basisschoolleerlingen die rekenen oefenen met adaptieve rekensoftware, die zich aanpast aan hun niveau, gaan er in drie jaar iets meer op vooruit dan leerlingen die op papier werken. Dat blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit onder bijna 8000 Nederlandse kinderen. Het verschil is klein en statistisch niet significant, maar lijkt het grootst op grote scholen en op scholen met veel kinderen van ouders met weinig scholing.

In 1960 nam de Amerikaanse schaakbond een rekenmethode over waarmee de Hongaars-Amerikaanse natuurkundige Arpad Elo de speelsterkte van schakers vastlegde. Een systeem dat op die methode is gebaseerd, bepaalde in het Nederlandse onderzoek welke som een leerling op zijn tablet kreeg. De onderzoekers volgden drie schooljaren lang hoe kinderen met en zonder zo’n adaptief oefenprogramma leerden rekenen.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief! Ook elke dag vers het laatste wetenschapsnieuws in je inbox? Of elke week? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief!

Rekenen volgens een schaakformule

Het programma heet Snappet en draait op tablets. Bij de adaptieve opgaven schat het programma na elke som opnieuw in wat een leerling aankan, zoals bij schaken na elke partij de speelsterkte wordt bijgesteld. Daarna kiest het een som die het kind met ongeveer 75 procent kans goed beantwoordt. Een goed antwoord leidt tot een moeilijkere som, een fout antwoord tot een makkelijkere. De leraar volgt de voortgang op een dashboard. Het systeem heet AI-gestuurd, maar is geen chatbot: het is een rekenmodel dat bijhoudt hoe goed een leerling is.

Drie schooljaren gevolgd

De gegevens werden verzameld tussen 2014 en 2017, toen adaptieve software nog nieuw was en er genoeg scholen zonder zo’n programma waren om mee te vergelijken. Van de 56 deelnemende scholen stapten sommige direct over op Snappet, andere later en een deel helemaal niet. Ruim de helft van de leerlingen werkte uiteindelijk met het programma. Hun rekenniveau werd gevolgd van eind groep 3 tot en met eind groep 6, via de rekentoetsen uit het Cito-leerlingvolgsysteem.

Kleine voorsprong

Alle kinderen gingen vooruit, al nam het groeitempo in de hogere groepen af. Leerlingen die met Snappet werkten, groeiden gemiddeld iets sneller, maar dat verschil is statistisch niet significant. Omdat scholen als geheel besloten of ze meededen, telt voor de statistiek het aantal scholen en niet het aantal leerlingen. Met 56 scholen zijn kleine verschillen lastig aan te tonen. De onderzoekers spreken daarom van een trend.

Verschillen tussen scholen

Op schoolniveau zijn de patronen duidelijker. Zonder Snappet hadden leerlingen op grotere scholen een lager beginniveau en vlakte hun groei later sterker af. Op scholen die Snappet gebruikten, verliep de rekenontwikkeling op grote en kleine scholen vrijwel gelijk. Op scholen met veel kinderen van wie de ouders hooguit de basisschool of een korte vervolgopleiding hebben afgerond, begonnen leerlingen lager. Op Snappet-scholen ging zo’n leerlingpopulatie wel samen met iets meer groei, op scholen zonder het programma niet.

“Op zulke scholen is er vaak meer verschil tussen leerlingen”, zegt onderzoeker Susanne de Mooij. “Adaptieve technologie kan dan helpen om het onderwijs beter af te stemmen op wat een leerling nodig heeft.”

Geen inhaalslag

Leerlingen die met een lager niveau begonnen, haalden hun klasgenoten niet in, met of zonder Snappet. Ook de kleine verschillen tussen jongens en meisjes en tussen kinderen met ouders van verschillend opleidingsniveau bleven bestaan. Bovendien gaat het om een observationeel onderzoek. Scholen kozen zelf of en wanneer ze begonnen, waardoor ook andere verschillen tussen scholen kunnen meespelen. De resultaten laten dus samenhangen zien en geen bewezen effect.

Ondersteuning, geen vervanging

Volgens De Mooij worden adaptieve oefenprogramma’s al bijna vijftien jaar gebruikt op meer dan de helft van de Nederlandse basisscholen. Dit onderzoek wijst er niet op dat leerlingen daarmee slechter leren rekenen dan met papieren lesmateriaal. Wel houdt de leraar een centrale rol. “De leraar maakt het lesplan, bepaalt wat leerlingen leren en houdt in de gaten wat er in de klas gebeurt”, zegt De Mooij. “Zo’n leersysteem draait alleen op de gegevens die erin zitten, terwijl een leraar over veel meer informatie beschikt.”

Wil je niets van Scientias missen? Volg Scientias op Google Discover dan zie je al onze verhalen!

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast: