De rooms-katholieke kerk, eeuwenlang een instrument van onderdrukking, portretteerde Jezus liefst als een brave burger. Daarin bracht een Peruaanse priester in de jaren zeventig verandering. Gustavo Gutiérrez beschreef Jezus als een radicale bevrijder van de onderdrukten, en niet enkel als redder van verdwaalde zieltjes. Zo droeg hij eraan bij dat Jezus in de twintigste eeuw door machthebbers weer als een politiek gevaar werd gezien.
Van binnenuit overtuigde de vader van de bevrijdingstheologie zijn geloofsgenoten ervan dat sociale revolutie niet in strijd hoefde te zijn met hun religie. In heel Latijns-Amerika – van de sandinistische revolutie in Nicaragua tot het Braziliaanse verzet tegen de militaire dictaturen – tot in Nederland aan toe, inspireerde Gutiérrez zo sociale hervormingsbewegingen. In de conservatieve rooms-katholieke kerk was niet iedereen blij met de priester van de Dominicaanse orde, toch bleef hij het instituut zijn leven lang trouw.
Volgens Gutiérrez hebben christenen de plicht zich tegen armoede te verzetten
“Hoe vertel je de armen dat God van ze houdt?” Deze retorische vraag tekent Gutiérrez’ denken. Hij werkt als parochiepriester in de jaren zestig van de vorige eeuw in Rímac, een overbevolkte arbeidersbuurt in de Peruaanse hoofdstad Lima, waar veel gezinnen in armoede leven in overvolle, gebrekkige huizen. Daar concludeert hij dat armoede geen goddelijk noodlot is, maar het gevolg van de manier waarop de samenleving is ingericht, en dat christenen de plicht hebben zich tegen zulke misstanden te verzetten. Dat idee beschrijft hij in 1971 in zijn meest invloedrijke publicatie Theologie van de bevrijding.
Gustavo Gutiérrez-Merino Díaz wordt geboren op 8 juni 1928 in Lima in een katholiek gezin. Zijn moeder heeft Quechua-wortels, een van de grootste oorspronkelijke bevolkingsgroepen van Zuid-Amerika. Hij groeit op in een land waarin de Inheemse bevolking structureel is achtergesteld – een werkelijkheid die later centraal komt te staan in zijn denken over armoede en onderdrukking.
Argwaan tegenover ‘eigen gelijk’
Als twaalfjarige wordt hij getroffen door osteomyelitis, een ernstige botinfectie. Hij brengt de daaropvolgende zes jaar grotendeels in bed en in een rolstoel door. Zijn liefde voor lezen redt hem in die jaren van de verveling en hij verdiept zich, naast literatuur en geschiedenis, ook in filosofie. Op zijn vijftiende leest hij het werk van de Franse zeventiende-eeuwse wiskundige en filosoof Blaise Pascal. Diens uitspraak ‘misbruik van de waarheid is erger dan een leugen’ maakt zo’n diepe indruk dat Gutiérrez hem nog tot op late leeftijd zal citeren. Het legt een vroege kiem voor zijn argwaan tegen elke theologie – of politieke ideologie – die meer begaan is met het eigen gelijk dan met echte mensen. ‘De mens is altijd belangrijker’, zegt hij daarover in een interview in 2008.
De jarenlange ziekte inspireert hem medicijnen te gaan studeren. Gaandeweg raakt hij echter steeds meer geïnteresseerd in filosofie en psychologie, en in de vraag naar het menselijk lijden achter de lichamelijke symptomen. Tijdens zijn ziekte heeft hij bovendien ervaren hoe belangrijk geloof en hoop voor hem zijn. In 1950 treedt hij toe tot het seminarie in Lima. Negen jaar later wordt hij priester, geen arts.
Als priester wijkt hij geregeld af van de officiële rooms-katholieke lijn. Al in 1976 spreekt zich uit voor vrouwelijke priesters – terwijl de katholieke kerk dat jaar officieel opnieuw verklaart dat zij vrouwen niet tot het priesterambt kan toelaten.
Gutiérrez doorbreekt het katholieke taboe op socialisme
Dat Gutiérrez ook Marxistische begrippen gebruikt in zijn analyses van de onderdrukking van de armen, is helemaal vloeken in de kerk. Als instituut staat de katholieke kerk argwanend tegenover het socialisme, dat zij associeert met atheïsme. Juist door dat taboe te doorbreken, opent Gutiérrez de weg naar het denken over de economische en sociale bevrijding van de armen. De conservatieve vleugel van de Peruaanse kerkhiërarchie moet dan ook weinig van de priester hebben, net zomin als het autoritaire regime.
Terwijl Gutiérrez’ positie in zijn geboorteland wankelt, verspreiden zijn ideeën zich over de wereld, tot in Nederland aan toe. In 1979 ontvangt hij een eredoctoraat van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Daar vertelt hij over de hachelijke positie van activisten die zich verzetten tegen het militaire bewind in zijn land, en legt hij uit dat hij als bekende persoonlijkheid tot op zekere hoogte beschermd is. ‘Ik moet wel zorgen dat ik ‘s nachts steeds op een ander adres slaap. M’n post wordt geopend en de telefoon afgeluisterd. Maar verder valt het wel mee.’
Solidariteit met alle onderdrukten
Daarnaast inspireert de bevrijdingstheologie progressieve katholieken in Nederland, en vormen Gutiérrez’ ideeën in 1985 mede de voedingsbodem voor de Acht Mei Beweging. Deze brede katholieke protestbeweging strijdt voor een kerk met meer ruimte voor vrouwen, homoseksuelen en leken, maar ook voor sociale rechtvaardigheid en solidariteit met de armen.
Ook in zijn pastorale werk heeft Gutiérrez oog voor andere vormen van ongelijkheid dan alleen armoede. Zo stelt hij in zijn parochie aan koppels die gaan trouwen altijd voor samen de kerk binnen te komen, in plaats van dat de bruid door haar vader of een andere man wordt ‘weggegeven’. ‘Een manier om de gelijkwaardigheid van de bruid en bruidegom te onderstrepen’, legt Gutiérrez in 2014 uit in een interview.
Toch klinkt er in later jaren kritiek vanuit onder andere feministische hoek, omdat hij te weinig aandacht zou hebben voor de specifieke vormen van onderdrukking waarmee vrouwen te maken hebben. Ook voor andere gemarginaliseerde groepen heeft hij aanvankelijk weinig aandacht. Als Gutiérrez in 1977 wordt gevraagd hoe seksuele onderdrukking van bijvoorbeeld homoseksualiteit een rol speelt in sociale repressie, geeft hij zelf toe: ‘Om eerlijk te zijn, hier heb ik niet genoeg over nagedacht.’
De eisen van iedereen die gediscrimineerd wordt, zijn rechtvaardig, vindt Gutiérrez
In 2001, na het aantreden van een rabiaat conservatieve aartsbisschop in Lima en jaren van spanning tussen hem en de Peruaanse kerkhiërarchie, wordt hij hoogleraar theologie aan de progressieve Notre Dame universiteit in Indiana, VS. Daar zal hij tot zijn negentigste blijven doceren. In de loop van die jaren verbreedt hij zijn denken over uitsluiting en krijgt hij meer oog voor andere vormen van onderdrukking. In het eerder geciteerde interview uit 2014 zegt hij: ‘Ik geloof dat de eisen van vrouwen, inheemse volkeren, mensen van Afrikaanse afkomst en alle andere groepen die om uiteenlopende redenen worden gediscrimineerd, zeer belangrijk en rechtvaardig zijn.’
Als Gustavo Gutiérrez in 2024 op 96-jarige leeftijd in een klooster in Lima overlijdt, is ‘de arme’ voor hem allang niet meer alleen iemand zonder geld, maar iedereen die door de samenleving buitengesloten en naar de marges gedwongen wordt.