OneWorld

De geschiedenis van OneWorld 1957-2011: witte redders in de hoofdrol

Liekejongbloed 10 min lezen

Dit artikel krijg je cadeau van OneWorld. Word abonnee

Mei, 1975. Op de cover van Internationale Samenwerking (IS), een periodiek tijdschrift van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over ontwikkelingshulp, staan twee foto’s van vrouwen: een van hen heeft een donkere huid, een sombere blik en een mager kind in haar armen. De ander, een witte vrouw, is aan het werk in een laboratorium. Verderop in het blad staan lange reportages over armoede in Afrika, met foto’s van magere kinderen en pasgeboren baby’s, én wat Nederland zoal doet om te helpen. Bovendien duiken meermaals termen als ‘derde wereld’ en ‘Indianen’ op. Je zou het niet denken, maar IS is een van de vroege voorlopers van het huidige OneWorld.

“Het was een totaal ander tijdperk”, aldus voormalig IS-hoofdredacteur Hans Ariëns. Hij trad in 2003 aan en dook eerder in de geschiedenis van het blad; in 2011 was hij de eerste hoofdredacteur van opvolger OneWorld. “De eerste decennia had IS een westerse en eurocentrische bril, zeker. Bij hulporganisaties was het nog heel normaal om meelijwekkende beelden te gebruiken. Later kwam pas de kritiek van exotisme: dat je de ander vooral interessant vindt omdat die anders is, maar je die niet als gelijke ziet. En toch… er was wél oprechte interesse in de rest van de wereld. Verzetsbewegingen tegen koloniale machten hadden veel steun, de strijd tegen armoede ook.  Er was meer internationale solidariteit dan nu.”

De hoofdredacteur van de voorloper van OneWorld was ook woordvoerder van de minister

Cover Internationale Samenwerkingen februari 1992.

IS zou uiteindelijk met een online vacaturebank en tijdschrift Onze Wereld fuseren tot OneWorld magazine. Onze Wereld was het tijdschrift voor de leden van de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand: Novib (nu Oxfam Novib). De eerste editie stamt uit 1957; in de jaren 80 kreeg het blad een onafhankelijke redactie en was het niet meer exclusief voor Novib-leden. Het had tienduizenden betalende abonnees.

IS had tegen de eeuwwisseling zo’n 125.000 abonnees – maar het was dan ook gratis. Het was een uitgave van het ministerie van Buitenlandse Zaken (waar ontwikkelingssamenwerking onder valt) en begon in de jaren 60 als een wat saaie blad. Lange lappen tekst over conferenties en speeches, afgewisseld met foto’s van de minister die een ontwikkelingsproject ergens in de wereld bezocht. Vanaf 1969 begon het iets weg te hebben van een tijdschrift. “Maar het was absoluut nog geen journalistiek”, aldus Ariëns. “Lange tijd was de hoofdredacteur ook woordvoerder van de minister van Ontwikkelingssamenwerking. Het was vooral voorlichting over het ministerie.”

Klik op de pijltjes om door de tijdlijn te gaan. De tekst gaat na de foto’s verder.

Slides: Studio Colorado

Dat Onze Wereld én IS in de jaren 70 en 80 uitgroeiden tot invloedrijke tijdschriften, zegt veel over die tijd: het waren de hoogtijdagen van ontwikkelingssamenwerking. Het draagvlak in de politiek én in de maatschappij was groot. Naast IS en Onze Wereld waren ook kinderblad SamSam en vakblad ViceVersa gewijd aan berichtgeving over ontwikkelingshulp. Vanaf de jaren 70 begon het Nederlandse ontwikkelingsbudget flink te stijgen, en in de jaren 80 piekte het op bijna 1 procent van het Bruto Nationaal Inkomen. Internationaal was een norm van 0,7 procent afgesproken; Nederland was een van de grootste gevers wereldwijd.

Voor IS betekende dat: oneindig budgetten. Ariëns: “Het was krankzinnig. Je kan het je nu niet meer voorstellen, maar je kon continu wekenlange reportagereizen maken op kosten van het blad. Voor mijn eerste reportage had Buitenlandse Zaken een businessclass ticket geboekt naar Ethiopië en Eritrea.”

Cover Internationale Samenwerkingen januari 1994.

In de jaren 90 kreeg IS voor het eerst een hoofdredacteur met een journalistieke achtergrond en begonnen veel freelancejournalisten voor het blad te schrijven. Zij werkten bijvoorbeeld als correspondent in Afrika, Azië of Zuid-Amerika en combineerden deze reportages met de – veel minder goed betaalde – nieuwsjournalistiek. Er bestond een hele niche van ‘ontwikkelingsjournalistiek’. “Het was een gouden tijd voor freelancers. Dat is bijna allemaal verdwenen.”

Voorloper Internationale Samenwerking werd ‘journalistiek op kousenvoeten’ genoemd

Toen Ariëns in 2003 voor IS begon te werken, zat de redactie nog onder één dak met het ministerie. Elke editie moest vooraf worden gelezen door een diplomaat van de directie Voorlichting. “We hadden ooit iets negatiefs geschreven over mensenrechten in Rwanda. Dat kwam bij de Rwandese ambassade terecht en die vroeg opheldering bij Buitenlandse Zaken.” Ariens maakte zelf niet mee dat hij artikelen moest intrekken of aanpassen, maar herinnert zich wel dat ze vaak bewust binnen de lijntjes bleven.

Vanuit Onze Wereld klonk soms kritiek op de gesubsidieerde journalistiek van IS. In een interview met Trouw uit 1999 beklaagt toenmalig hoofdredacteur Stan Termeer zich over de ‘valse concurrentie’ van een blad dat ‘uit de schatkist’ wordt betaald. Hij omschrijft de strekking van het blad als ‘journalistiek op kousenvoeten’ en ‘his masters voice’ – Onze Wereld draaide grotendeels op abonnementsgelden.

In de archieven van IS valt inderdaad op dat het zelden ging over het aandeel dat Nederland zélf had in de armoede elders. Oorlogen, hongersnoden en natuurrampen werden vooral als economisch en humanitair probleem voorgesteld; de nadruk lag op de hulp vanuit Nederland. Diplomatiek gevoelige onderwerpen werden vermeden. Veelzeggend is dat er in de jaren 80 amper aandacht was voor de apartheid in Zuid-Afrika; pas nádat begin jaren 90 de afschaffing van de apartheid was aangekondigd, regende het specials en reportages over de ongelijkheid in het land.

Cover Internationale Samenwerkingen juni 1995.

Linkse en rechtse kritiek

Langzamerhand kwam er dan ook steeds meer kritiek op de ontwikkelingssector. Vanuit links groeide het geluid dat de sector een koloniaal project was. In 2009 interviewde IS Dambisa Moyo, auteur van het boek Dead Aid (Doodlopende hulp). De Zambiaanse econoom betoogde dat westerse ontwikkelingshulp Afrika geen vooruitgang, maar achteruitgang heeft opgeleverd. Ze uitte kritiek op de manier waarop de sector naar Afrika keek: als hulpbehoevend continent waar je medelijden mee moet hebben en ze pleitte voor andere vormen van hulp, zoals microkredieten en een sterker ondernemingsklimaat.

Haar geluid stond niet op zichzelf. Sinds de jaren 90 was de wereldeconomie in hard tempo geliberaliseerd, waardoor organisaties zoals de Wereldbank en het IMF meer invloed kregen, ook op ontwikkelingshulp. Begin jaren 2000 lanceerde de Wereldhandelsorganisatie het initiatief Aid for Trade, naar eigen zeggen om ‘ontwikkelingslanden’ te helpen bij het versterken van hun handelspositie. Hulp en handel raakten steeds nauwer verweven.

Van rechts kwam de vraag: waarom moeten we eigenlijk ontwikkelingshulp bieden?

IS berichtte uitgebreid over de vele discussies binnen de sector: was ‘aid for trade’ een oplossing, of afkalving van solidariteit? Kon microkrediet inderdaad een uitkomst bieden? Kregen internationale handelsorganisaties op deze manier niet veel te veel macht? Hoe kunnen we meer macht bij lokale organisaties leggen? Ariëns: “Die discussies verdwenen vervolgens ook weer naar de achtergrond omdat de sector zich als geheel moest verdedigen tegen kritiek uit rechtse hoek. Het idee was: waarom zouden we eigenlijk hulp aan andere landen moeten geven?”

Dat had niet meteen effect op de budgetten voor ontwikkelingssamenwerking; in de jaren 90 en jaren 00 bleef dat zo rond de 0,8 procent, boven de internationale norm. IS ontving nog steeds subsidie van Buitenlandse Zaken, al veranderde de manier waarop wel. Vanaf 2007 werd het blad uitgegeven door het NCDO, door het ministerie gefinancierd bestuursorgaan dat de taak had om voorlichting te geven over mondiaal burgerschap en zo het draagvlak voor onder meer ontwikkelingssamenwerking groot te houden. De redactie verhuisde van het ministerie naar het NCDO-kantoor in Amsterdam. “De totale budgetten van het NCDO bleven enorm”, aldus Ariëns. “Ze hadden sommige jaren meer dan 30 miljoen te besteden.”

Het is wat dat betreft niet verrassend dat de publieke opinie verschoof. In 2010 bleek, uit onderzoek van het NCDO zelf, dat 45 procent van de Nederlanders vond dat het budget kleiner moest. Een jaar eerder ging dat nog maar om 34 procent. Die verschuiving sloot aan bij de plannen van het eerste kabinet-Rutte dat in 2010 aantrad met gedoogsteun van de PVV. Rutte wilde het budget om te beginnen verlagen naar 0,7 procent. Anno 2026 bedraagt het budget ongeveer 0,58 procent; tegen 2029 zal dat ongeveer 0,44 procent zijn.

Online platform

Intussen werd eind jaren 90 ‘het internet’ deel van het dagelijks leven. Zelfs e-mail was nog nieuw en organisaties begonnen mondjesmaat websites te bouwen. Zo ook in de ontwikkelingssector. In 1998 ontstond het idee voor een online platform voor internationale samenwerking. Peter van Lier, nu docent aan de Hogeschool van Amsterdam, was erbij betrokken. Hij had in de jaren ervoor als freelancejournalist gewerkt voor onder meer Onze Wereld, ontwikkelingsorganisatie Hivos en de Wereldomroep. “Vanuit Hivos ontstond het idee om een digitaal platform op te richten; het NCDO zette daar geld voor opzij. Er werd een team bij elkaar gebracht en ik werd redacteur.”

Rond diezelfde tijd hadden voormalig BBC-journalist Peter Armstrong en zijn vrouw en mediapionier Anuradha Vittachi in Engeland OneWorld.org opgericht: een activistisch online platform over mondiale ongelijkheid en klimaatverandering. Dat werd al snel een internationaal netwerk met afdelingen in heel Europa en daarbuiten; het idee was om duizenden ngo’s (non-gouvermentele organisaties) op één platform bij elkaar te brengen. In 1999 werd in Maastricht de Nederlandse tak opgericht: OneWorld NL. Dat fuseerde in 2001 met het platform van het NCDO en Van Lier, dat de naam OneWorld overnam.

OneWorld plaatste dagelijks kleine nieuwsberichten en had daarnaast een online vacaturebank die in de tien jaar daarna razend populair werd. Van Lier: “Ngo’s betaalden om een vacature te plaatsen, we noemden hen partners. Na een tijdje gingen ook gemeentes en progressieve politieke partijen vacatures posten op oneworld.nl. We stonden zelfs op een grote fysieke carrièrebeurs, daar hadden alle partners stands en konden ze mensen werven.”

Vanaf 2011 werd het blad kritischer en verschoof de focus naar duurzaamheid en oneerlijke handelsketens

In 2009 fuseerden het digitale platform OneWorld met maandblad Onze Wereld, om het digitale en papieren bereik samen te voegen – het maandblad behield zijn oude naam. De financiering kwam van het NCDO, van grote ngo’s zoals Oxfam en Hivos, van de partners op de vacaturebank én van de lezers. Twee jaar later fuseerden ze ook met Internationale Samenwerking, om samen een zo groot mogelijk bereik én meer inkomsten te hebben. Die redactie van IS voorzag al dat het niet eeuwig gesubsidieerd zou worden. Per december 2011 gingen de drie titels samen verdere als één blad, online en op papier: OneWorld Magazine, mét vacaturebank.

OneWorld was net als IS gesubsidieerd en gratis, maar de koers veranderde. Ariëns: “Vanuit Onze Wereld kwam een focus op handelingsperspectief mee: wat kun je zélf bijdragen aan een betere wereld? Het blad werd kritischer, minder op het buitenland gericht en de focus verschoof van ontwikkelingssamenwerking naar duurzaamheid en oneerlijke handelsketens. Ariëns: “Ook ging het vaker over ongelijkheid binnen Nederland, zoals lhbti-rechten, gender en racisme – maar dat zou jaren later nog veel meer de boventoon gaan voeren.”

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Verder lezen?

Rechtvaardige journalistiek verdient een rechtvaardige prijs.
Maak jij OneWorld mogelijk?

Word abonnee

  • Digitaal + magazine  —  € 8,80 / maand
  • Alleen digitaal  —  € 6,60 / maand