Opslaan
De cao-lonen in de sector gezondheidszorg en welzijn zijn in het derde kwartaal minder hard gestegen dan in de rest van Nederland.
In het derde kwartaal waren de lonen in de zorg 3,8 procent hoger dan een jaar eerder, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In heel Nederland ging het om 4 procent.
Koopkrachtverbetering
Voor de zorg is wel sprake van een reële koopkrachtverbetering. Dit betekent dat de loonstijging hoger uitvalt dan de prijsstijgingen (inflatie). Een jaar eerder, in het derde kwartaal van 2025, stegen de cao-lonen in de zorg juist nog harder dan in Nederland met 5 procent voor de zorg en 4,3 procent in heel Nederland.
Wanneer er wordt ingezoomd op specifieke bedrijfstakken, bevinden de uitschieters naar boven zich momenteel buiten de zorgsector. De sterkste loonstijgingen werden genoteerd in de specialistische zakelijke diensten en de bouwnijverheid (beide 5,0 procent), gevolgd door de financiële dienstverlening (4,9 procent). De bedrijfstakken met de laagste loonontwikkeling zijn de horeca (2,9 procent) en de informatie en communicatie (3,1 procent).
Loonkloof
De cijfers hebben niet direct betrekking op de zogeheten loonkloof in de zorg, waar in 2021 de Sociaal-Economische Raad over schreef. De SER concludeerde toen dat de eindsalarissen voor specifiek de middenfuncties in de zorg, zoals verzorgenden en verpleegkundigen (schalen FWG 35 t/m 65), 9 procent achterlagen op de mediaan in de marktsector en 6 procent op de mediaan in de publieke sector.
In 2023 onderzocht AWVN dit in opdracht van de Brancheorganisaties Zorg (BoZ). De AWVN zag iets soortgelijks als de SER, maar concludeerde dat de achterstand voor deze functies tijdelijk ingelopen zou worden. Maar in de loop van 2024 zou die weer oplopen naar een kloof van 6 procent ten opzichte van de marktsector.