We typen met z’n allen nu zo’n 25 jaar op het imperfecte toetsenbord van de mobiele telefoon. Sindsdien is ons online taalgebruik flink veranderd, maar niet bij iedereen gaat dat op hetzelfde tempo. Een simpele ‘ok.’ is voor een babyboomer een doodnormale bevestiging, maar voor een gen-Z’er een oorlogsverklaring. Voor iedereen boven de 30 zijn de woorden die jongeren onder elkaar gebruiken dan weer complete hocus pocus. En dan zijn er binnen die leeftijdsgroepen ook nog eens allerlei verschillen.
Hoe ontstonden al die digitale dialecten, en hebben ze ook een functie? Daarover spraken we met taal- en communicatiewetenschapper Lieke Verheijen van de Radboud Universiteit.
Hvj wjnmk
Het begon allemaal met die onverwoestbare Nokia’s met nummertoetsen waar je meerdere keren op moest rammen om letters te produceren. Voor 10 cent per bericht kwamen daar dan meesterwerken uit als:
W8 ff kben miss later XD
Of:
Ok hvj wjnmk
Korte tijd was dat het absolute summum van cool, maar al snel daarna kwam de BlackBerry, met z’n revolutionaire miniatuurqwertytoetsenbord. Hoewel die variant misschien wel het fijnste typte (als je niet té dikke vingers had), was ook die fase van korte duur. Uiteindelijk settelden we definitief voor het touchscreen.
Efficiënte afko’s
Onze taal bewoog mee, legt Lieke Verheijen uit. ‘Vanaf het begin wordt online taalgebruik gekenmerkt door het informele karakter. Deels is dat een gevolg van de praktische beperkingen van het mobiele toetsenbord.’ Die ‘w8 ff’ zie je tegenwoordig zelden meer, maar in het sms-tijdperk waren zulke afkortingen, of afko’s, erg efficiënt.
Beknoptheid was een noodzaak, zegt de onderzoeker. In een sms had je 160 tekens de ruimte, later op Twitter 140. Van die beperkingen hebben we nu weinig last meer, maar typen gaat nog steeds niet erg rap en onze aandachtsspanne is kort. Daarom houden we het online nog steeds liever beknopt.
Ieder platform zijn eigen regels
Bovendien ligt miscommunicatie online sneller op de loer, benadrukt Verheijen. ‘Het overbrengen van de boodschap is hierdoor vaak belangrijker dan de correctheid van het taalgebruik.’
Daarbij spelen ook de omgangsnormen op de platforms die we gebruiken een rol. E-mail is vrij zakelijk, maar op apps waar je vooral met vrienden communiceert, zoals WhatsApp of Telegram, gaan de regels al snel overboord. Op platforms waar de hele wereld meekijkt, zoals LinkedIn of Instagram, zul je wellicht dan weer iets meer geneigd zijn om je spelling nog eens te checken.
Digitale lichaamstaal
De verschillende onlineplatforms bieden en boden bovendien hun eigen communicatiemogelijkheden. MSN populariseerde de smiley, dankzij Hyves maakten we kennis met de dansende banaan en sinds de opkomst van Facebook en WhatsApp maken we steeds meer gebruik van stickers, memes en gifjes. Dat is dan wel geen taal in de conventionele zin, maar we gebruiken ze wel degelijk om onze gedachten over te brengen, zegt Verheijen.
Online valt een hoop non-verbale communicatie weg. Denk bijvoorbeeld aan lichaamstaal en gezichtsexpressie. Maar ook met intonatie en volume kun je in spreektaal veel zeggen, legt Verheijen uit. ‘Met emoji’s kunnen we hier enigszins voor compenseren.’
Ook andere tekstuele elementen kun je hiervoor gebruiken, vervolgt ze. Dankzij de capslock-toets kun je bijvoorbeeld toch een beetje schreeuwen, ‘heeee’ is net wat enthousiaster dan ‘hee’, en met die harde punt na de ‘ok’ uit de inleiding laat je je ergernis blijken. De lading van drie gedachtepuntjes (…), verschilt dan weer per context.
Jong geleerd, oud gedaan
Het aanvoelen van die nuances valt vooral voor oudere generaties niet altijd mee. Mobiele communicatie draait zowel letterlijk als figuurlijk om fingerspitzengefühl. Hoewel we inmiddels (bijna) allemaal berichten typen naar elkaar, spreken we online niet allemaal exact dezelfde variant van het Nederlands. Voor jongeren is interpunctie optioneel en is het heel normaal om af en toe wat Engels door zinnen te blenden, voor ouderen is dat een no-go niet oké.
Verheijen: ‘Er is wat dat betreft een duidelijk onderscheid tussen zogeheten digital natives, mensen die met het internet zijn opgegroeid, en digital immigrants, die pas op latere leeftijd te maken kregen met digitale communicatietechnologie.’
Smiley 🙂
Die eerste groep voelt zich online als een vis in het water. Ze bewegen zich op verschillende platforms en tussen verschillende groepen (vrienden, online kennissen, collega’s) en passen hun taalgebruik moeiteloos aan op de bijbehorende mores.
Voor ouderen is dit vaak moeilijker, legt Verheijen uit. Zij houden zich doorgaans meer vast aan de taalregels die zij vroeger geleerd hebben: ze gebruiken komma’s en punten en corrigeren spelfouten. Verheijen: ‘Als ze een emoji gebruiken, is dit meestal ter illustratie van wat ze eerder al in woorden zeiden. Ze zeggen bijvoorbeeld eerst dat ze een hamburger eten en sturen vervolgens een emoji van een hamburger. Jongeren sturen dan of alleen de tekst, of alleen het plaatje.’
Taal zegt meer dan woorden
Tegelijkertijd bestaan ook binnen de natives verschillen. Enerzijds vanwege leeftijd: de taal van pubers begrijp je als jonge dertiger ook niet meer, kan de auteur van dit stuk beamen. Anderzijds ontstaat ook verbrokkeling binnen leeftijdsgroepen.
Op gameplatform Twitch wordt op een andere manier gepraat dan op Snapchat. Dit kun je tot op microniveau doortrekken: iedere WhatsAppgroep heeft zijn eigen lingo. Tegelijkertijd kunnen jongeren doorgaans soepel schakelen tussen de taalnormen op verschillende platforms, zegt Verheijen.
Taal is expressie
Taalvernieuwing is hier allang geen praktische noodzaak meer. Moderne woorden als ‘lit’ of ‘drippy’ zijn niet per se efficiënter dan eerdere varianten als ‘hip’, ‘cool’ of ‘vet’.
Woordkeuze zegt voor jongeren vaak meer dan dat wat ze letterlijk communiceren, zegt Verheijen. ‘Het is ook een manier om te laten zien dat je ergens bij hoort. Zoals kleding dat ook kan zijn.’ Met hun taalgebruik proberen jongeren hun imago of identiteit vorm te geven. Taal heeft dus een dubbelfunctie: communicatie van een letterlijke boodschap en communicatie van persoonlijkheid.
Jongerentaal ebt ook weer weg
In haar onderzoek ziet Verheijen dat die creativiteit in taalgebruik vaak piekt rond een jaar of vijftien. In de puberteit proberen jongeren nog te ontdekken wie ze precies zijn. Taal kan daar een onderdeel van zijn.
Vanaf de studententijd vlakt dit weer geleidelijk af, zegt Verheijen. ‘Taalgebruik wordt dan pragmatischer. Sommige jongerenwoorden blijven hangen, de rest verdwijnt weer uit het taalgebruik.’
Dat is overigens niet uniek voor online taalgebruik, maar gebeurt al generaties lang. Zo was ‘hip’ in Nederland cool in de jaren 60, ‘cool’ werd vet in de jaren 70, en ‘vet’ werd lit vanaf de jaren 80.
Taal gaat met z’n tijd mee
Over het algemeen blijft de kruisbestuiving tussen ‘digi-taal’ en formele standaardtaal vrij beperkt, zegt Verheijen. ‘We zien voorlopig nog geen emoji’s in de krant en leestekens tellen daar nog gewoon mee. Dat zal waarschijnlijk ook zo blijven.’
Wel dringt soms een internetwoord door tot het mainstream taalgebruik. Van woorden als ‘appen’, ‘influencer’ of ‘selfie’ kijken we tegenwoordig allang niet meer op. Wel zijn zulke woorden onder jongeren vaak al oud nieuws tegen de tijd dat we ze tegenkomen bij de NOS of in de Volkskrant.
Iedereen spreekt internet
Kortom, taal is levend. Online gaat die ontwikkeling misschien nog wel harder dan waar dan ook. Waar trendwoorden vroeger een paar jaar meegingen, zijn ze nu na enkele maanden al sleets.
Dat kan soms moeilijk te volgen zijn, maar één ding scheelt: je hoeft ze niet allemaal te gebruiken. Of je nu digital native of immigrant bent, het gaat er uiteindelijk om dat je je verstaanbaar kunt maken. Daarvoor hoef je echt geen Snapchat, TikTok of Twitch te spreken.
Vincent studeerde Nederlands, filosofie en Journalistiek en probeerde ook nog een jaartje economie. Omdat hij het zo moeilijk vindt om keuzes te maken, werkte hij daarna als redacteur voor zowel tv, radio, als geschreven media. Lukt het hem wel om een knoop door te hakken, dan reist hij graag, zit hij in de zon op een terras, of leest hij Wikipediapagina’s.