Maike van Tol (23) zit regelmatig samen met haar vriend voor de buis. Niet met de afstandsbediening in de hand, maar allebei met de controller. “Het is fijn, want dan zit je niet alleen tv met elkaar te kijken, je hebt ook echt interactie met elkaar”, zegt ze. “Je leert ook met elkaar om te gaan.”
Co-op-games – kort voor 'coöperatieve games' – zijn al jaren populair. Ze bestaan in allerlei vormen. Denk bijvoorbeeld aan schietspellen waarin je samenwerkt als team om een ander team uit te schakelen, of om samen computergestuurde vijanden te lijf te gaan. In sommige andere spellen, zoals Baldur’s Gate, kun je zelfs samen een heel verhaal doorspelen.
Nieuwer zijn ‘pure’ co-op-games. In deze games moeten spelers samen puzzels oplossen en digitale behendigheidsopdrachten uitvoeren. It Takes Two, bijvoorbeeld, waarin een ruziënd echtpaar in speelgoed wordt omgetoverd. In elk level krijgen beide spelers aparte taken: de een krijgt bijvoorbeeld een geweer waarmee je een kleverig goedje kan schieten, de andere een aansteker om dat mee in brand te steken. “Je moet dus wel echt samen spelen, anders haal je het niet”, zegt Van Tol.
Van elkaar leren
Er is een verband tussen coöperatief gamen en betere sociale vaardigheden en banden tussen spelers, blijkt uit onderzoek. “We weten bijvoorbeeld dat mensen die coöperatieve games spelen, in sommige gevallen buiten de game ook meer geneigd zijn tot samenwerking”, vertelt Nastasia Griffioen van het Trimbos Instituut, waar ze leiding geeft aan het expertisecentrum Digitalisering en Welzijn. “Het kan dus een beetje overvloeien naar ‘buiten’.”
Voor Maike van Tol en haar vriend lijkt dat in ieder geval wel op te gaan, zegt ze. “Hij heeft geleerd meer geduld te hebben, want ik was in het begin best slecht.” Zonder de tijd en ruimte die haar vriend voor haar nam, hadden ze de game niet uitgespeeld. “En ik ben iemand die graag de beste wil zijn, en er moeite mee had als mijn vriend beter was. Maar al spelende heb ik geleerd dat het soms ook best leuk is om niet de beste te zijn, om degene te zijn die iets leert.”
Ze vullen elkaar aan tijdens het spelen. “Hij is goed in maat houden, hij telt af voordat onze personages in de game samen een sprong maken”, zegt ze. “Ik ben dan weer de puzzelaar. Ik los dingen graag op.”
Behulpzaam gedrag
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat coöperatieve en ‘prosociale’ games een rol kunnen spelen bij het verminderen van agressie - al kunnen alle games natuurlijk frustratie veroorzaken, ook coöperatieve. Competitief tegen elkaar gamen kan de kwaliteit van je vriendschappen soms verslechteren, gamers die samenwerken bouwen tijdens het gamen juist vaak een hechtere vriendschap.
Opvallend is dat alleen al het spelen van een game met een ‘prosociale’ insteek – waarbij de speler wordt aangezet om anderen te helpen, of het nu andere mensen zijn of gamepersonages – spelers behulpzamer lijkt te maken. Zo bekeken psychologen van Iowa State University in 2009 een drietal studies uit de hele wereld, waarin werd gekeken of prosociale games spelers ook echt socialer maakten.
In één van deze studies moesten Amerikaanse studenten een prosociale, een neutrale, of een agressieve game spelen. Daarna werd ze gevraagd om puzzels uit te zoeken die een medestudent zou moeten maken. De studenten die een prosociale game speelden, kozen daarna simpelere puzzels - de onderzoekers zagen dat als behulpzaam gedrag.
Ook in Nederland wordt dergelijk onderzoek gedaan. Zo ontdekte gedragspsycholoog Geert Verheijen van de Radboud Universiteit in 2020 dat adolescenten die samen Mario Kart speelden, een betere vriendschap hadden als ze tijdens het spelen meer samenwerkten. Dat Mario Kart in de kern een competitieve game is, maakt niet uit: zodra de gamers de instructie hadden om samen te spelen in plaats van elkaar te frustreren, ging hun vriendschap erop vooruit. Wat het belangrijkste is, is dát je in een game gaat samenwerken, niet wat voor soort game het is.
Dat effect gaat best ver. Volgens onderzoek van Texas Tech University zijn spelers van competitieve games over het algemeen vriendelijker tegen het andere team als ze binnen hun eigen team een goede samenwerking hebben. Positief gedrag in een videogame stimuleert dus meer positief gedrag.
Leren overleggen
Begrijpelijk, als je kijkt welke onderdelen van ons sociaal gedrag we moeten oefenen als we samen spelen. “Wanneer je een co-op-game speelt wordt er een beroep gedaan op jouw vermogen om te overleggen”, zegt Nastasia Griffioen. “Verder vereist het dat je ruimte kan laten voor andermans ideeën, dat je samen tot een oplossing kan komen.”
Kortom, zegt Griffioen, games waarin je samenwerkt vragen dat je je openstelt voor anderen en dat je je in hen kan verplaatsen. “Het hangt er ook van af of het ‘couch co-op’ is: een spel dat je naast elkaar op de bank speelt, of online. Want dichterbij communiceer je gewoon gemakkelijker.”
Dat kan fervent co-opspeler Maike van Tol wel beamen. “Ik zit veel liever samen op de bank dan dat we op onze eigen computers zitten. Dan voel ik zo’n barrière tussen ons”, zegt ze. “Je hebt wel het idee dan dat je samen aan het spelen bent, maar niet écht.”
Toch moet je bij elke vorm van gamen wel uitkijken dat je het niet te veel doet, zegt Griffioen. Maar als het om positieve vormen van gamen gaat, dan staat coöperatief gamen volgens haar wel bovenaan. Er zijn wat dat betreft ook wat gemiste kansen, signaleert ze. “Veel gameonderzoek gebeurt onder studenten en jongeren, maar het zou goed kunnen dat ouderen ook baat hebben bij dit soort games”, zegt ze.
Onder andere aan het Radboud UMC wordt hiermee geëxperimenteerd, maar het onderzoek staat nog in de kinderschoenen. In 2019 maakte een onderzoeker een speciale app, waarmee ouderen samen simpele spelletjes konden spelen. Uit het onderzoek blijkt vooral dat het nog lastig is om zo’n app goed te ontwerpen, op een manier waarmee je ouderen ook echt vast weet te houden.
Maar Griffioen denkt dat het de moeite waard is om ernaar te gaan kijken. “Veel ouderen zijn tegenwoordig wat eenzamer, er is minder gemeenschapsgevoel op straat, minder praatjes. Er is potentie voor sociale games die ouderen kunnen ondersteunen.”
Ook experimenten om neurodivergente kinderen met games te helpen om sociale vaardigheden op te bouwen, bevinden zich nog in een vroeg stadium. “Echt gerichte inzet op sociaal welzijn zien we nog niet vaak.” Ruimte genoeg voor onderzoek, dus.