NEMO Kennislink

Beperkt ongelijkheid de toekomstdromen van kinderen?

6 min lezen

Kinderen hebben al voordat ze kunnen praten feilloos door hoe eerlijk - of oneerlijk - geld verdeeld wordt. Zelfs baby’s reageren verrast op ongelijkheid, zo werd gemeten met behulp van eye-trackingexperimenten. Voeren twee mensen dezelfde taak uit, maar krijgt de één een grotere beloning, dan blijft hun blik langer hangen dan wanneer de beloning gelijk is. Werkt de één juist harder voor eenzelfde beloning, dan zijn baby's precies zo verrast. Jonge kinderen verwachten dus gelijke verdeling, maar accepteren ongelijkheid zodra iemand harder heeft gewerkt.

"Je zou kunnen zeggen dat meritocratisch denken dus al bij baby's zichtbaar is", zegt Brummelman, universitair hoofddocent pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. "Met dit idee - dat je alles kunt bereiken als je maar hard genoeg werkt, los van afkomst of rijkdom - ben ik zelf ook opgegroeid."

We vermoeden dat kinderen in armoede zich bepaalde toekomsten niet eens durven voorstellen

Maar wat gebeurt er als ze zien dat het ene klasgenootje in nieuwe merkkleding verschijnt en een ander de afgedankte kleren van een oudere broer draagt? Zonder dat er ooit over geld wordt gesproken, zien kinderen economische ongelijkheid overal, volgens Brummelman. Op het schoolplein, op straat, op TikTok.

"Hoe komt die ongelijkheid in het hoofd van kinderen terecht, en wat doet dat met hun zelfbeeld en toekomstbeeld? Dat willen we begrijpen", zegt hij. Brummelman ontving begin dit jaar een miljoen euro uit de Mercator Sapiens Stimulus voor dit onderzoeksproject, genaamd Generatie Hoop.

Je vreest dat het verschil tussen rijk en arm in de samenleving het toekomstbeeld van kinderen versmalt.

"Dat is inderdaad onze hypothese. We weten dat kinderen die opgroeien in armoede gemiddeld minder zelfvertrouwen en zelfwaardering hebben. Ze vinden zichzelf minder slim en competent, en denken daar weinig aan te kunnen veranderen, ook als ze in werkelijkheid even slim en talentvol zijn als kinderen uit rijkere gezinnen. We vermoeden dat kinderen in armoede zich bepaalde toekomsten niet eens durven voorstellen, omdat ze die niet voor zichzelf weggelegd zien. Aan de andere kant voelen kinderen uit rijkere gezinnen vaak druk om hun sociaaleconomische positie te behouden. Om te bewijzen dat ze hetzelfde kunnen bereiken als hun ouders, of meer."

Je deed jarenlang onderzoek naar narcisme: hoe het ontstaat en hoe een opgeblazen zelfbeeld samenhangt met opvoeding. Waarom nu de ommezwaai naar economische ongelijkheid?

"Mijn proefschrift ging over narcisme, onderzoek dat ik als postdoc voortzette aan Stanford University in de VS. Daar besefte ik dat maatschappelijke ongelijkheid onderbelicht was in mijn werk. Ik was de eerste in mijn familie die naar de universiteit ging. Op Stanford was ik ineens omringd door zoons en dochters van bankiers en hoogleraren. Toen besefte ik: de wereld is minder meritocratisch dan ik dacht. Wetenschap bleek geen meritocratie waarin je wordt beloond voor hard werken. In werkelijkheid bestaan er systematische ongelijkheden die sommige groepen bevoordelen en andere benadelen. In plaats van narcisme te zien als een defect van een individu, wilde ik kijken naar de samenleving. Hoe zorgt de samenleving ervoor dat sommige mensen zo naar zichzelf en anderen kijken?”

Een bovenaanzicht van een jongetje dat bakkerijtje speelt.

Kinderen weten misschien niet hoeveel geld de ander heeft, maar misschien merken ze de verschillen wel aan bijvoorbeeld het speelgoed.

kostikova, via Magnific.com

Hoe onderzoek je de impact van economische ongelijkheid op het zelfbeeld van kinderen?

"Economische ongelijkheid gaat om verschillen tussen gezinnen in inkomen en vermogen. Maar kinderen kunnen natuurlijk niet bij andere gezinnen in de portemonnee kijken. Het gaat erom wat ze zien in hun omgeving en wat hun ouders erover vertellen. Merken ze het op aan verschillen in kleding, hobby's, het beroep van ouders, de grootte van woningen, de prijs van vakanties? Om te beginnen gaan we een grote groep kinderen en hun ouders intensief volgen, over maanden en jaren. Zij houden dagelijks een dagboek bij, zodat we ontdekken hoe ze ongelijkheid ervaren en in hoeverre dat doorwerkt in schaamte, trots en zelfwaardering."

Dat lijken me moeilijke vragen voor een kind.

"Heel moeilijk, dus daar denken we goed over na. Vragen worden bijvoorbeeld: had je vandaag op school het gevoel dat je iets niet kon betalen wat iemand anders wel kon? Voelde je een groot verschil tussen kinderen in hoeveel geld hun familie heeft? En: waarom denk je dat dat zo is? Kinderen schrijven ongelijkheid vaak toe aan talent of inzet, niet aan een gebrek aan kansen. Vanaf ongeveer vijfjarige leeftijd ontstaan stereotypen over armere groepen, waarbij structurele oorzaken van ongelijkheid uit beeld raken. We volgen ook ouders: welke boodschap geven zij mee over hoe de samenleving werkt? Wie leert dat succes voor het oprapen ligt als je hard werkt, oordeelt vaak hard over mensen niet succesvol zijn. En over zichzelf als het even niet lukt."

Sommigen vinden een zekere mate van economische ongelijkheid goed voor de samenleving.

"Ik kijk er meer naar als pedagoog dan als econoom. De belangrijkste vraag is: schaadt die ongelijkheid de ontwikkeling van kinderen? Zo ja, dan wil je de ongelijkheid zelf natuurlijk aanpakken, maar ook hoe kinderen die beleven. In Nederland denken we vaak dat het wel meevalt. De inkomensongelijkheid is inderdaad relatief klein. Maar de vermogensongelijkheid is groot.

Als blijkt dat ongelijkheid het zelfbeeld van kinderen beschadigt, wat valt daar dan aan te doen?

“Als we vinden dat economische ongelijkheid in het hoofd van kinderen gaat zitten en leidt tot een gebrek aan hoop, hebben we een interventie nodig. We willen kinderen dan een ander verhaal meegeven over hoe ongelijkheid werkt. Hen manieren geven om erover na te denken en ermee om te gaan. Daarom doen naast economen, sociologen en pedagogen ook geesteswetenschappers en kunstenaars mee aan dit project. Geesteswetenschappers weten hoe verhalen over ongelijkheid in de samenleving ontstaan en veranderen. De oude Grieken zagen geld bijvoorbeeld als iets waarvan je niet te veel moest hebben. Dat is een heel ander idee dan het dominante verhaal over geld als middel waarvan je nooit te veel kunt hebben. Kunstenaars kunnen een alternatieve werkelijkheid verbeelden en maatschappelijke problemen aan de kaak stellen op een speelse manier die ook goed voor kinderen werkt.”

Hoe wil je uiteindelijk toe naar die hoopvolle generatie?

“Kinderen krijgen een stem in dit project. We gaan samen onderzoeken hoe je anders naar ongelijkheid kunt kijken. Het doel is niet om kinderen één verhaal op te leggen, maar om ze te helpen zelf te redeneren over ongelijkheid. Bijvoorbeeld door zich af te vragen waarom mensen als Elon Musk of Jeff Bezos verheerlijkt worden om hoeveel geld ze hebben. Met experimenten gaan we onderzoeken wat werkt. Mogelijk kunnen we zulke inzichten later verwerken in het burgerschapsonderwijs op scholen.”

Project Generatie Hoop is ingebed in KiDLAB, een interdisciplinair onderzoeksteam van de Universiteit van Amsterdam dat breder onderzoekt waar het zelfbeeld van kinderen vandaan komt. Via het programma Lil’ Scientist, een platform van KiDLAB in samenwerking met onder andere NEMO Science Museum, de IMC Weekendschool en de De Jonge Akademie, krijgen kinderen een stem in het project.