“Fiets voorlopig samen.” Dat advies gaf burgemeester Pechtold van Delft onlangs nadat meerdere vrouwen in de Delftse Hout waren aangevallen. De uitspraak riep veel kritiek op. Want waarom zijn het opnieuw vrouwen die hun gedrag moeten aanpassen? Samen fietsen, iemand appen wanneer je thuis bent, een omweg nemen, je sleutel alvast in je hand houden. Voor veel vrouwen zijn het bekende routines.
De discussie raakt aan een grotere vraag: hoe zorgen we ervoor dat iedereen zich ook ’s avonds vrij door de openbare ruimte kan bewegen? Daarbij wordt al snel naar de omgeving gekeken. Moeten we camera’s plaatsen, struiken snoeien, andere fietsroutes aanleggen of extra lantaarnpalen plaatsen?
Hoe zorgen we ervoor dat iedereen zich ook ’s avonds vrij door de openbare ruimte kan bewegen?
mailtojm via MagnificEen lamp houdt geen dader tegen
Daar zit iets ongemakkelijks in. Want wanneer een vrouw op straat wordt aangevallen, ligt het probleem natuurlijk niet bij die straat. Het probleem is dat iemand haar aanvalt. Aanpassingen aan de openbare ruimte kunnen misschien risico’s verkleinen of ervoor zorgen dat mensen zich prettiger voelen, maar ze pakken de oorzaak van geweld tegen vrouwen niet aan.
Bovendien blijkt niet iedere maatregel die logisch klinkt ook daadwerkelijk te werken. Verlichting is daar een goed voorbeeld van. De gedachte is eenvoudig: als een straat beter verlicht is, kunnen we beter zien wat er gebeurt en neemt criminaliteit af. Maar als onderzoekers kijken naar objectieve veiligheid (dus naar daadwerkelijke, meetbare criminaliteit) blijkt die relatie allesbehalve eenvoudig. Sommige studies vinden minder criminaliteit nadat verlichting is verbeterd. Andere vinden helemaal geen verandering, en enkele onderzoeken vinden juist meer geregistreerde criminaliteit. Meer licht betekent dus niet automatisch minder misdrijven.
Dat komt ook doordat criminaliteit van veel meer afhangt dan van verlichting alleen. Denk aan de aanwezigheid van andere mensen, toezicht, het type omgeving en allerlei andere sociale en maatschappelijke factoren. Een lantaarnpaal draagt daar soms iets aan bij, maar houdt op zichzelf geen dader tegen.
Meer licht betekent niet automatisch minder misdrijven.
afoteu via MagnificToch is daarmee nog niet gezegd dat verlichting onbelangrijk is. Want bij veiligheid speelt nog iets anders mee: niet alleen hoe veilig een plek daadwerkelijk is, maar ook hoe veilig die plek voelt. En dat is een andere vraag.
Veilig zijn en je veilig voelen
Je kunt op een plek zijn waar nauwelijks criminaliteit voorkomt en je er toch onveilig voelen. Andersom kan een omgeving vertrouwd en prettig aanvoelen zonder dat het risico er per se kleiner is. Onderzoekers maken daarom onderscheid tussen objectieve veiligheid en gevoelsveiligheid.
Juist bij dat veiligheidsgevoel blijkt verlichting wél een duidelijke rol te spelen. Mensen voelen zich over het algemeen prettiger wanneer zij hun omgeving kunnen overzien en zo weten wie of wat er aankomt. Maar ook hier geldt: simpelweg méér licht is niet automatisch beter.
Stel je twee fietspaden voor. Het eerste is fel verlicht, maar loopt tussen hoge struiken, zonder huizen of andere mensen in de buurt. Het tweede is zachter verlicht, maar overzichtelijk, met open zicht en mensen die vanuit woningen of een café de straat op kunnen kijken. Op welk pad voel jij je dan veiliger?
Zou jij je veilig voelen op dit fietspad?
user32601828 via MagnificDe hoeveelheid licht is dan maar één onderdeel van het verhaal. Voor het veiligheidsgevoel zijn ook andere eigenschappen van de omgeving belangrijk. Kun je ver vooruit kijken? Zijn er plekken waar iemand zich weet te verschuilen? Kun je gemakkelijk weg als er iets gebeurt? En zijn er andere mensen in de buurt?
Dat laatste wordt ook wel eyes on the street genoemd: het idee dat de aanwezigheid van andere mensen en sociale controle eraan bijdragen dat een omgeving veiliger aanvoelt.
Zelfs als we alleen naar verlichting kijken, geldt bovendien niet: hoe feller, hoe veiliger. Wie weleens vanuit een felverlichte benzinepomp een donkere parkeerplaats op heeft gekeken, kent het effect. Je ogen passen zich aan het felste licht aan, waardoor wat daarbuiten ligt juist donkerder lijkt. Een felle lamp kan verblinden en harde schaduwen veroorzaken. Precies op de plekken waar je goed zou willen zien, is het zicht soms minder.
Voor het gevoel van veiligheid is daarom niet alleen belangrijk hoeveel licht er is, maar vooral hoe dat licht wordt toegepast. Gelijkmatige verlichting zonder verblinding kan helpen om de omgeving goed te overzien. Grote verschillen tussen heel lichte en heel donkere plekken kunnen dat juist moeilijker maken. Onderzoek toont ook dat jonge vrouwen oververlichte plekken niet automatisch als veiliger ervaren.
Dat vind ik een belangrijk verschil. Want in discussies over veiligheid en lichtvervuiling wordt het soms voorgesteld alsof we moeten kiezen: óf een donkere omgeving voor natuur en sterren, óf een felverlichte omgeving waarin mensen veilig naar huis kunnen. Maar die tegenstelling klopt niet.
Hoe ontwerpen we een openbare ruimte waarin vrouwen ook met minder licht veilig én vrij kunnen bewegen?
al5555 via MagnificDe nacht teruggeven
Natuurlijk moeten plekken waar mensen ’s nachts fietsen en lopen voldoende zichtbaar zijn. Niemand heeft er iets aan als we uit naam van de natuur een druk fietspad volledig donker maken en mensen er vervolgens niet meer langs durven. Maar veiligheid verdient iets beters dan simpelweg nóg een lantaarnpaal plaatsen.
Voor de daadwerkelijke veiligheid moeten we breder kijken dan verlichting alleen. Geweld tegen vrouwen is geen lichtprobleem en wordt niet opgelost door een straat feller te maken.
Voor het gevoel van veiligheid kan goede verlichting wel degelijk belangrijk zijn. Maar dan gaat het niet om zoveel mogelijk licht. Het gaat om goed zicht, overzicht en een omgeving waarin mensen zich vrij kunnen bewegen.
Dat betekent: verlichting waar die nodig is, goed gericht en gelijkmatig, warm van kleur en gedimd wanneer niemand aanwezig is. Maar ook struiken snoeien die het zicht blokkeren, routes overzichtelijk ontwerpen, sociale controle vergroten en luisteren naar de mensen die een plek daadwerkelijk gebruiken.
Misschien moeten we de discussie daarom omdraaien. Niet: hoeveel licht hebben vrouwen nodig om ’s nachts veilig over straat te kunnen? Maar: hoe ontwerpen we een openbare ruimte waarin vrouwen ook met minder licht veilig én vrij kunnen bewegen?
Want uiteindelijk is dat waar het om gaat. Niet dat vrouwen leren hoe ze zich aan de nacht moeten aanpassen, maar dat we een nacht maken waarin zij zich niet hoeven aan te passen.